Craig Egberink, glorieuze winnaar van MD11, speecht op het Fascinating Expedition & Adventure Talks in Johannesburg. Over hectisch eten, onvoorspelbare paarden en de eenzaamheid van voorloper zijn.
Craig Egberink, glorieuze winnaar van MD11, speecht op het Fascinating Expedition & Adventure Talks in Johannesburg. Over hectisch eten, onvoorspelbare paarden en de eenzaamheid van voorloper zijn.
Als ik het, zoals tijdens deze laatste dagen van het jaar, ongelooflijk druk heb, dan verlang ik wel eens naar een ander leven. Meestal is dat het leven van Barry Armitage, of dat van Joe Dawson – de mannen van The Ride. Zij rijden de prachtigste historische routes. Te paard. As a job. Ze worden gevolgd door een camerateam en zijn ware tv-helden in Zuid-Afrika.
Barry en Joe reden – en voltooiden – ook de Mongol Derby. Dit is de promo van The Ride of the Golden Horde, met een klein rolletje voor mij ‘…and it sucks.’
Ik bekeek ‘m nog eens, deze video van de start van de Mongol Derby, en vroeg me af wat ik erbij zou kunnen schrijven. Iets over de knikkende paardenhoofden die ik al bijna weer was vergeten. Of iets over de eindeloze heuvels die standaard terugkomen wanneer ik over de race vertel. Of misschien iets over de starring role voor Ronald met zijn blauwogige paard. Maar eigenlijk heb ik maar drie woorden: ik wil terug.
Ruim twee maanden thuis alweer. En het wordt alleen maar erger, eigenlijk, het missen van Mongolië. Die uitgestrekte landschappen en die woeste paarden. Die uitgelaten sfeer onder de deelnemers en steeds niets meer dan dat ene, simpele doel: het bereiken van het volgende wisselstation. De eenvoud ervan. Misschien hadden ze bij inschrijving niet alleen voor gebroken botten en overlijdenskansen moeten waarschuwen, maar ook voor de heimwee achteraf.
Bijna dagelijks gaan er mails en foto’s en Facebookberichten heen en weer tussen de deelnemers van MD11. Over Mongoolse hoofdstellen die zo nu en dan tevoorschijn worden gehaald om aan het geitenleer te ruiken. Over enduranceritten die niets voorstellen bij wat wij op de steppen hebben meegemaakt. En over de plaats waar de volgende gezamenlijke race zou moeten plaatsvinden: Amerika? Jordanië? Zuid-Afrika?
Gelukkig is er hier in Nederland veel leuks dat afleiding kan bieden. Een debuutroman waaraan de laatste loodjes worden gelegd (Met Muijs verschijnt in april bij Uitgeverij Contact) en een freelanceproject dat halve dagen kost. En de beste manier om over het gemis van de Mongoolse pony’s heen te komen: een nieuw eigen paard! Om te borstelen en te trainen en te aaien en te starten in de samengestelde wedstrijdsport, als hij straks iets ouder is.
En toch doe ik, als ik na een lange dag achter mijn Mac mijn ogen sluit, soms nog steeds alsof het geen zacht bed is waarop ik lig maar de koude grond van een Mongoolse yurt.
De eerste media hebben zich alweer gemeld. Eind vorige week een interview vanuit Ulaanbaatar met NRC. Nu straks een kort gesprek met Vara DeGids.FM (radio 1, 11.30 uur). En woensdagavond naar Knevel en Van den Brink. Spannend!
Prangende vragen over de race? Mail ze naar frederiqueschut@gmail.com.
Hoe waren de paarden? Halfwild, zoals beloofd. Uitgebreid knuffelen was er meestal niet bij. Veel pony’s moesten wennen aan de westerse zadels en aan de slaapzakken op hun rug, maar hadden er na een aantal minuten geen problemen meer mee. Eenmaal opgestegen veranderden ze in snelle, gevoelige, vrolijke paardjes. Snelle dravers. Gretige galoppeerders. Er zaten ook comfortabele telgangers tussen. Moeiteloos vonden ze hun weg tussen stenen en plassen en marmottenholen. Klimmen en dalen was geen enkel probleem. Hats off!
Hoe zat het met paardenwelzijn? Er werd goed voor de paarden gezorgd. De dierenartsen hadden vooraf de sterkste, gezondste, fitste exemplaren geselecteerd en waren op ieder wisselstation aanwezig om de hartslag, huid, mond, hydratatie en ingewanden te checken. Ze behandelden overigens ook de plaatselijke geiten, schapen, koeien en yaks. Er zijn geen paarden serieus gewond geraakt; hoge hartslagen en lichte schuurplekken van de westerse singels kwamen sporadisch voor. Vrijwel iedereen legde de laatste kilometers tot het wisselstation in stap af en liep de laatste paar honderd meter naast het paard. De locals gingen functioneel met hun dieren om, maar niet bruut. Bovendien leven de Mongoolse paarden het grootste deel van het jaar in kuddes – precies zoals het hoort.
Hoe was het eten? Misselijkmakend zoet en weeïg, maar minder dramatisch dan verwacht. De schapeningewanden en geitenhoofden heb ik aan me voorbij laten gaan; ik leefde voornamelijk op koekjes en noedels en rijst. Nippen van de gefermenteerde paardenmelk en vervolgens de dorst lessen met warm water (uus) of zoute thee (tsai).
Hoe zwaar vond je de race? Fysiek viel het alles mee. Op dag twee kon ik niet meer lopen van de spierpijn, maar vanaf de tweehonderdste kilometer gaf mijn lichaam zich geweldloos gewonnen en voelde ik me fit en sterk. Wel hebben mijn knieën de hele tocht zachtjes geprotesteerd. Mentaal was het lastiger. Niet vanwege eentonigheid of navigatiepaniek, maar vanwege het steeds moeten bijstellen van mijn doelen. Het was soms lastig om te accepteren dat een bepaald horsestation niet meer haalbaar was op die dag. En dat dat mijn eigen schuld was. Meestal.
Wat is de uiteindelijke uitslag? Van de 23 deelnemers zijn er 13 officieel gefinisht. De afvallers: een gebroken pols, een gekneusde rib, een bezeerde heup, een onthoofde vinger, een gescheurde schouderband, iemand met hetzelfde buikgriepvirus als ik, iemand die de pony’s niet leuk vond en drie personen met een te laag tempo. Ik ben op de 10e plaats geëindigd.
Het liefste zou ik ze alle elf vol bloggen, de uren die ik hier moet doorbrengen op Beijing Airport. Alles tot in de puntjes beschrijven: de geuren, de geluiden, de gedachten ook. (Ik heb het gedaan! Ik heb het gered!) Maar het mag niet, want er komt een boek over de race. Verschillende uitgeverijen hebben interesse getoond in het verhaal. Jullie zullen het dus moeten doen met een samenvatting; het verhaal zoals het staat opgeschreven in mijn slordige handschrift in mijn vuile moleskine. Zonder de veelzeggende inzichten. Zonder de sprekende details. Gewoon, dat we de eerste dagen in gers in het startkamp verbleven en kennismaakten, dat we elkaars doelen peilden (uitrijden of winnen?), dat we de pony’s uitprobeerden en dat ze snel en gevoelig en onverwoestbaar bleken te zijn.
Een vliegende start werd gevolgd door een spectaculaire eerste rit: rengalop aan de kop van de groep. Met een hartslag penalty tot gevolg – dat wel. (De eerste & de laatste.) Daarna een lange, rustige, stoffige rit met competitor Sophia naar horsestation twee en een galop tegen de ondergaande zon in tot de tijdslimiet van 20.00 uur. Slapen bij locals (geitenvlees en communicatieproblemen) en de volgende ochtend een val van Sophia, waarna ik alleen verder moest. Toch stiekem een van de inzichten: ik voel me prima zonder andere mensen om me heen. De tijdsachterstand grotendeels ingehaald en me ’s avonds aangesloten bij de Engelsen. Het volgende horsestation net niet gehaald: nog een nacht bij van-niets-wetende lokalen in een sprookjesachtige vallei.
De volgende ochtend losgebroken met Regina en de meest verschrikkelijke dag tegemoet gereden: foute navigatiekeuzes en foute paardenkeuzes: verdwaald en gevallen en uiteindelijk naast mijn pony gelopen totdat ik uitgeput – en nét op tijd – bij het volgende horsestation aankwam. Lieve dierenartsen maakten een hoop goed. En de spierpijn was toen ook verdwenen. De dag erna: een rit met de grote groep (over bergen), een rit met de Patersons (door valleien) en een rit met o.a. Ronald (langs snelwegen, over bergen, tot aan een meer). In mijn ondergoed het water in gegaan. De muggenbulten bekeken en de tel kwijtgeraakt.
Dag vijf leidde van het meer naar een moerasachtig gebied en van daar door onweersbuien en regenstormen en sterk stromende rivieren naar een horsestation met vuur en sushi. Onderkoeld en uitgedroogd aangekomen en de volgende middag door een heersend buikgriepvirus onderuitgehaald. Huilend en koortsig van de steppe gehaald door het medische team en aan een infuus gelegd. Met veel moeite de rest van de groep verder zien gaan. Geslapen. Me afgevraagd: had ik dit kunnen voorkomen? Nee geantwoord.
De laatste drie dagen moest er flink worden doorgereden om de achterstand in te halen. Samen met Ronald en Sophia fantastische uitzichten en ijskoude regenbuien en doodsaaie kilometers meegemaakt. Recordtijden neergezet. Ik was nog steeds ziek en koortsig, maar ook vast van plan om over de finishlijn te galopperen. Een aantal slome pony’s voor de kiezen gekregen. En toen op dag negen: de allerlaatste rit. De vlaggen. De juichende mensen. De camera’s. Het overwinningsbier. Een onverwacht gevoel van opluchting en euforie. Toen twee dagen in het eindkamp om bij te komen en bij te praten en bij te eten. De eerste douche ook weer. Eergisteren vanuit de hemelse countryside de hel van Ulaanbaatar weer in. Een afscheidsfeest – mailadressen, omhelzingen, wat was het bijzonder, hè, wat was het zwaar – en nu hier, in de ondergaande zon met mijn Mac op schoot. Uitzicht op departures en duty free. Nog negen en een half uur te gaan. Ik ga mijn aantekeningen maar eens aanvullen. Herinneringen opschrijven. Voor straks, voor in het boek.
Weinig tijd om te bloggen. Maar wel veel zin. Telegramstijl dus. Zonder de stops – dat wel. Aangekomen in Ulaanbaatar. (Tussendoor Beijing in sneltreinvaart gezien.) Warmte. Uitlaatgassen. Toeterende auto’s. Gebarsten straten. Enorme ambassades. Hoogbouw. Na de verhalen toch minder lelijk dan verwacht. Race-genoten ontmoet: in ontbijtzaal & op straat. GPS-coördinaten opgehaald. -N 47.25 155º E 106.50 449º naar N 48.57 570º E 102.46 308º - voor wie het wat zegt. Zuidwest Ulaanbaatar en dan 1000 km naar het westen. Excited! Competitie ingeschat: softies en diehards. Met wie rijd ik straks mee? De Zuid-Afrikanen zien er doorgewinterd uit. Hoogte: 1.300 meter. Je merkt het met de trap. (Kamer 412: de training gaat gewoon door.) Fruitstalletjes: de laatste pruimen, appels, bananen. Uit de On the steppe information pack for riders: What to do if you lose you horse. Mongoolse stoplichten hebben de vorm van een staand (rood) en rennend (groen) paard. Niemand wacht erop. Eerste regenbui meegemaakt en getwijfeld aan de waterdichtheid van mijn zadeltassen. Gewerkt. Gefacebookt. De weg kwijtgeraakt (nu al) en weer gevonden (gelukkig maar). Nog steeds niet nerveus. Wel een klein beetje on edge. De volgende ochtend inmiddels: over vier uur naar het startkamp. Gisteren dinner met de riders en crew: een haast euforische vibe. Zadeltassen gepakt. Herpakt. Herpakt. Blijft de bumbag wel stilzitten, straks? Op de achtergrond: een vaag gevoel van paniek. Als ik maar niet achterop raak/van mijn paard val/moet opgeven. Van horen zeggen: de eerste 200 kilometer zijn een hel, daarna komt de high. Zitten er elektrolyten in mijn pillen & poeders? Tactiekbesprekingen met Ronald. Direct bij de kopgroep komen. Horloge gekocht met wekker: we mogen om 6 uur ’s ochtends te paard. Geen sponsor kunnen vinden: inschrijfkosten uit eigen zak betaald. (Wie wil sponsoren: 6161066). Ook geen cameraploeg mee. De zenders hapten niet. Jammer wel. De Afrikanen hebben wel een filmploeg op hun nek. Gruwelverhalen gehoord over gefermenteerde paardenmelk. Hoe zouden de andere riders de Nederlanders inschatten? Achter de flatgebouwen: zachtgroene bergen. Vanuit het vliegtuig zagen we de witte gers. Jetlagwaves. Nachtelijke overhoringen: bedankt = bayarlaa; sorry = uuchlaarai; stop = zogs. Na binnenkomst gaan gasten naar links. Niet op de drempel staan. Naar je toe snijden. Kinderen niet op het hoofd aanraken. Wat zou het meeste pijn doen? Mijn knieën? Mijn benen? Mijn rug? Drie uur nu nog. Morgen voor het eerst het paard op. Ik kan mijn hart in mijn keel voelen kloppen als ik eraan denk. Zouden dit soort avonturen verslavend zijn? De laatste loodjes liggen te wachten. (Zonnebrandcrème. Portemonnee. Dadels.) Nogmaals dank voor alle lieve reacties! Here I go.